Publicidade ▲
|
Resumo dos resultados
sinónimos
locuções
rede semântica
palavras cruzadas
exemplo
Ebay
catálogo
traduções
|
↘ schutter ≠ aannemen, aanvaarden, accepteren
afdrukken, afvuren, beschieten, bestoken, doodschieten, het vuur openen, knallen, losschieten, lossen, overhoopschieten, paffen, schieten, wegschieten
afketsen, afstoten, afstuiven, afvuren, afwijzen, beschieten, doorsnellen, filmen, flitsen, lager/zachter zetten, neerhalen, neermaaien, neerschieten, omschieten, omverschieten, rennen, schieten, schieten op, sprinten, stormen, verlagen, verwerpen, vlammen, vliegen, vuren, wegschieten, neerknallen (gemeenzaam), overhoopschieten (gemeenzaam)
coup de feu (fr)[Classe]
(soldaat; soldate), (militair; troepenmacht; strijdkrachten; legermacht; regeringstroepen)[termes liés]
(kanon)[termes liés]
military (en)[Domaine]
Shooting (en)[Domaine]
schietsport, schot - aanranden, attaque[Hyper.]
ontladen[Nominalisation]
afdrukken, afschieten, afvuren, beschieten, bestoken, knallen, paffen - afgaan - lossen, ontladen, uitladen - afschieten, het vuur openen, schieten, vuren - beschieting, bestoking, ontlading - vuur[Dérivé]
beschieting, bestoking, ontlading - vuur[Dérivé]
afgaan[Cause]
afschieten
military (en)[Domaine]
Shooting (en)[Domaine]
afdrukken, afschieten, afvuren, beschieten, bestoken, knallen, paffen - aanranden, attaque[Hyper.]
schietsport, schot - shoot (en) - boogschutter, schutter - afgaan - afschieten, het vuur openen, schieten, vuren[Dérivé]
neermaaien, neerschieten[Domaine]
neerhalen, neerschieten[Hyper.]
vuur[Dérivé]
afschieten
bewegen, doorreizen, koersen, tijgen, voortbewegen - afstuiven, doorsnellen, doorvliegen, ijlen, jakkeren, koersen, racen, razen, reppen, snellen, spoeden, stormen, storten, stuiven, vliegen, voorbijflitsen, voorbij flitsen, zoeven[Hyper.]
het te snel rijden, speed - drukte, gehaast, gejakker, haast, spoed - gang, gangetje, rijsnelheid, snelheid, tempo, vaarsnelheid, vaart, vaartje - speed, velocity (en) - eindsprint, eindspurt, sprint, spurt - sprong - sprint - iceboat, ice yacht, scooter (en) - scooter - autoped, step - jet-ski (pt)[Dérivé]
afschieten (v.)
utiliser une arme (fr)[Classe]
jeter, lancer... (fr)[Classe...]
(beschieten; schieten op; wegschieten; afvuren; afschieten), (schot; schietsport), (schutter)[Thème]
beschieten; schieten op; wegschieten; afvuren; afschieten[ClasseHyper.]
faire des manœuvres (soldat) (fr)[DomainRegistre]
chasser (fr)[DomaineCollocation]
afschieten (v.)
allure de la course à pied (fr)[Classe]
acte ou action brève ou rapide (fr)[ClasseParExt.]
motocycle (fr)[Classe]
bewegen, doorreizen, koersen, tijgen, voortbewegen - draven, galopperen, hardlopen, het hardlopen, hollen, rennen - beweging, mechaniek - schip - wheeled vehicle (en) - motorboot, motorschip, ms. - afstuiven, doorsnellen, doorvliegen, ijlen, jakkeren, koersen, racen, razen, reppen, snellen, spoeden, stormen, storten, stuiven, vliegen, voorbijflitsen, voorbij flitsen, zoeven[Hyper.]
het te snel rijden, speed - drukte, gehaast, gejakker, haast, spoed - gang, gangetje, rijsnelheid, snelheid, tempo, vaarsnelheid, vaart, vaartje - speed, velocity (en) - afstuiven, sprinten, spurten - afschieten, afstuiven, flitsen, rennen, schieten, stormen, vliegen - schieten - fladderen, rondfladderen, schieten, waaien - wegspringen[Dérivé]
eindsprint, eindspurt, sprint, spurt - sprong - arranco (pt) - iceboat, ice yacht, scooter (en) - scooter - autoped, step - jet-ski (pt)[Dérivé]
afschieten (v.)
tirer au fusil ou au pistolet (fr)[Classe]
tuer une personne (fr)[Classe]
blesseren, kwetsen, verwonden[Hyper.]
shoot (en) - hit, kraker, succesnummer, tophit - boogschutter, schutter[Dérivé]
aanvallen - neerhalen, neerschieten - doodschieten, fusilleren, neerknallen, neerleggen, overhoopschieten[Domaine]
neermaaien, neerschieten[Hyper.]
afschieten (v.)
gewetenswroeging; zelfverwijt; gewetensangst; gewetensnood; zelfbeschuldiging; berouw; spijt[Classe]
(tweekamp; duel; tweegevecht), (duelleren)[termes liés]
racine ILC (fr)[Domaine]
racine SUMO (fr)[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
ComplementFn (en)[Domaine]
Communication (en)[Domaine]
Getting (en)[Domaine]
actie, daad, handeling, verrichting - afkeuring, afwijzing, misprijzen, rejectie, reprobatie, repulsie, verwerping - bericht, boodschap, inhoud, kerngedachte, leerstof, mare, materie, onderwerp, stof, thema, tijding - bericht van ontvangst, dankbetuiging, dankzegging - weigering - afslaan, bedanken, ontzeggen, refuseren, verdommen, verdraaien, verrekken, vertikken, weigeren - aankopen, aanschaffen, bemachtigen, erin slagen, komen, nemen, ontvangen, verkregen, verwerven, winnen[Hyper.]
afstoten, afwijzen, verwerpen - afkeuren, desapproberen, desavoueren, diskwalificeren - afschieten, afstoten, afwijzen, weigeren - afkeuren, afvriezen, afwijzen, desapproberen, desavoueren, diskwalificeren, smalen, verachten, versmaden - refuse, reject, turn away, turn down (en) - nonacceptance, turndown (en) - afgekeurd voorwerp - scorner, sneerer (en) - spurner (en) - rejective (en) - aanvaarding, overneming - aanvaarding, acceptatie, adoptie, bijval, weerklank - opnemer[Dérivé]
factotum (en)[Domaine]
not (en)[Domaine]
afkeuring, afwijzing, misprijzen, rejectie, reprobatie, repulsie, verwerping - nonacceptance, turndown (en) - weigering - ekskuus, excuus, het spijt me, verontschuldiging, verschoning[Dérivé]
afschieten (v.)
baisse des prix (fr)[DomaineCollocation]
helpen - afname, afneming, afslag, daling, discount, inkrimping, korting, mindering, rabat, reductie, reductionisme, remissie, simplificatie, vereenvoudiging, verkleining, verlaging, vermindering[Hyper.]
terugloop - afketsen, afschieten, lager/zachter zetten, verlagen, verwerpen - depress, lower (en)[Dérivé]
dreigend[Dérivé]
afschieten (v.)